‘Doe onmiddellijk de deur open!’

Mijn oma keek uit het keukenraam naar buiten. Voor de deur stond een norse man met een leren jas aan, die zich voorstelde als kameraad Simák van de Hongaarse Dienst voor de Staatsveiligheid. Hij liep met ferme stappen binnen zonder iets te vragen en maakte een rondje door de woning.

‘Sssst’, gebaarde mijn oma naar haar tweelingdochters die op dat moment privéles Engels kregen op het terras. ‘En geen Engels spreken’, fluisterde zij ze toe terwijl zij de terrasdeur achter zich dichttrok.

‘U moet uw woning uit’, blafte de man mijn oma toe. ‘U heeft twee dagen de tijd om te vertrekken.’

Het was een uur of drie in de middag, eind mei 1950, slechts enkele weken voor het uitbreken van de Koreaanse Oorlog.

De villa met drie verdiepingen en flinke tuin eromheen in de heuvels van Boedapest had mijn overgrootvader in 1938, een jaar na de geboorte van mijn moeder en mijn tante laten bouwen. Zijn kleinkinderen moesten in een huis opgroeien waar ze de ruimte hadden om te spelen, met een tuin en veel frisse lucht. Hij wilde er na zijn pensionering samen met zijn vrouw en zijn jongste zoon ook zelf intrekken, daarom was er in latere instantie een extra verdieping aan toegevoegd.

Het heeft allemaal niet zo mogen zijn. Mijn joodse overgrootvader en zijn vrouw overleefden de oorlog niet, zijn jongste zoon, mijn opa’s enige broer, evenmin.

Mijn opa werd dankzij zijn ‘arische’ echtgenote niet meteen geïnterneerd maar werd pas in tweede instantie als dwangarbeider afgevoerd. Hij moest aan de Oostenrijkse grens loopgraven graven die als verdedigingswerk moesten dienen om Wenen tegen het naderende Russische leger te beschermen. Mijn opa doorstond ondanks zijn tengere postuur de harde fysieke arbeid, de nachten in de onverwarmde barakken bij min 20, de honger en de ziektes. Hij overleefde de dodenmars westwaarts en de laatste weken voor de bevrijding in vernietigingskamp Mauthausen. Mijn opa was een overlever. Hij liep mee in de rij, maar waste zijn kleren met gesmolten sneeuw om geen vlektyfus te krijgen en nam kleine hapjes van de op de Duitsers veroverde voedselvoorraden nadat het kamp door de Amerikanen was bevrijd. Zijn ijzeren wil om te leven en om zijn gezin terug te zien, zijn zelfdiscipline en zijn aanpassingsvermogen, hebben hem overal doorheen gesleept.

Mijn opa kwam terug en pikte de scherven van zijn oude leven op. Een jaar lang staken mijn oma en hij er hun ziel en zaligheid in het huis, dat in de oorlog compleet lek was geschoten. Zij verkochten het zilveren bestek en de familiejuwelen die de Duitsers en de Russen niet hadden weten te vinden tijdens hun plunderingen, om het familiehuis te renoveren.

Lang hebben mijn grootouders, mijn moeder en mijn tante, er niet van mogen genieten. Het huis van mijn grootouders zou, samen met een drietal omringende villa’s, worden ingelijfd om – zo zou later duidelijk worden – plaats te maken voor een militair hoofdkwartier. Daaruit zou, bij het uitbreken van een nieuwe oorlog in Europa, een mogelijke aanval tegen Tito’s Joegoslavië worden geleid. Daartoe werden binnen een paar dagen vuistdikke kabels aangelegd, om de telefoonverbinding met Moskou mogelijk te maken.

Dát mijn grootouders samen met hun twee dochters en mijn inwonende overgrootmoeder moesten verkassen was een feit. In ruil werd hen een donkere benedenverdieping in een onooglijke woonkazerne aangeboden.

Mijn opa werd ooit als tienjarig jongetje vanuit het mijnstadje Tatabánya, waar zijn vader als hoofdadministrateur werkte, naar de grote stad gestuurd. Hij werd ondergebracht bij een hospita en ging naar de middelbare school, nadat hij voor de gelegenheid eerst gedoopt was. Mijn opa protesteerde niet. Hij liet zijn stem evenmin horen toen hij, met heel wat minder slimme jongens dan hij, aan de Technische Universiteit van Boedapest in de collegebanken zat. Hij mocht al van geluk spreken dat hij überhaupt door de numerus clausus voor joodse studenten was gekomen. Mijn opa deed zijn best, hield zich gedeisd en maakte zich onzichtbaar. Ook toen hij uiteindelijk door de fascisten werd meegenomen, liep hij mee in de rij, net als bij de verplichte 1 mei optochten later, tijdens de communistische periode. Hij had er een gruwelijke hekel aan. Met zijn allen achter elkaar aanlopen, met vlaggen zwaaien en op commando blij kijken, was niet zijn ding. Maar hij deed wat er van hem werd verwacht, en zei hoogstens op zijn gebruikelijke laconieke toon: ‘Ach, ik heb wel ergere marsen meegemaakt.’

Maar deze keer deed mijn opa iets wat hij nog nooit eerder had gedaan. Hij verhief zijn stem. En weigerde het huis dat hem was aangeboden, te accepteren. Ondanks de dreigementen van kameraad Simák, hield hij voet bij stuk.

‘Als u werkelijk wilt dat wij naar dat huis gaan, zult u ons daar met politie-escorte heen moeten brengen’, verklaarde mijn opa.

Dat ging zelfs kameraad Simák te ver. Om mijn opa, mijn oma, hun twee dochters en mijn overgrootmoeder, compleet met hun hele huisraad, door de straten van Boedapest te moeten afvoeren naar hun nieuwe onderkomen, leek hem geen prettig vooruitzicht. In die dagen deden de communisten in Hongarije nog hun best om de schijn op te houden. Wat ook hielp was dat mijn opa ondertussen een redelijk hoge positie bekleedde als ingenieur binnen de nationale cementindustrie.

Mijn opa kreeg zijn zin. Weliswaar moesten hij en zijn gezin hun familievilla in de heuvels van Boeda verlaten, maar zij kregen er een fraai appartement voor terug met grote ramen, veel licht en een balkon met zuilen in de gedaante van Griekse godinnen. Het appartement lag bovendien aan een ruime, groene weg en had vrij uitzicht. Ook kregen mijn opa en zijn gezin uiteindelijk in plaats van twee dagen een hele week de tijd om te verhuizen.

Mijn grootouders hebben daar nog zo’n zeventien jaar gewoond, tot lang nadat hun beide dochters het huis uit waren gegaan. Een mooie en statige woning, waar ik mijn vroegste herinneringen aan bewaar.

Erzsó Alföldy