Het regende toen het vliegtuig op de luchthaven van Heraklion landde Regen! ‘100 % zon garantie’ beloofde de website van het reisbureau waar Erna een vakantie voor het hele gezin had geboekt, ter ere van hun trouwdag, nu precies tien jaar geleden.

Normaal gesproken gingen ze in de zomer altijd kamperen in Nederland, want dat vond Lucas zo leuk voor de kinderen. En was zij vervolgens de godganse dag in de weer met handwasjes, eten maken en de vaat. Maar deze keer eindelijk gingen zij met zijn allen naar Kreta. Zon zee en zand. Geen tent, geen fietsen en geen potje koken op een gasje onder de tentzeil. En vooral: geen regen!

‘Mam, mag ik straks meteen het zwembad in?’, had Nina nog voor het vertrek gevraagd. Ze had net haar zwemdiploma gehaald en mocht voor het eerst zonder bandjes het water in. Nathan, anderhalf jaar ouder, was altijd een heuse waterrat. Zijn snorkelspullen die hij onlangs voor zijn verjaardag had gekregen, zaten in de koffer.

Erna keek, net als de kinderen, enorm uit naar deze vakantie. Eindelijk rust, als gezin samen. En hopelijk kon Erik zich ook even ontspannen. Hij had het de laatste tijd ook zo zwaar op zijn werk gehad, met alle ontslagrondes bij de verzekeringsmaatschappij waar hij als ICT-er werkte. Als lid van de OR was hij de laatste tijd ’s avonds ook veel aan het vergaderen geweest, kwam dan vaak moe en knorrig thuis. Hij was vast ook aan vakantie toe. Misschien konden zij samen wat quality-time met elkaar doorbrengen, een etentje ergens vlakbij, terwijl de kinderen sliepen.

En daar zaten ze dan, hartje zomer, op Kreta, in de stromende regen te wachten op de bus die ze naar hun appartementencomplex aan de rand Rethymnon zou brengen.

Twee uur later, arriveerden ze, verkleumd door de lange rit en misselijk door de vele bochten die de chauffeur niet al te fijnzinnig nam, bij hun appartementencomplex. Vooruit, de tweekamerwoning bleek niet meer dan een studiootje met een tweepersoons bedbank in de piepkleine woonkamer en een extra slaapkamer met twee losstaande bedden voor de kinderen. Ze waren nog nauwelijks op de plek van bestemming aangekomen of Nina verdween, met haar nieuwe felroze bloemetjesbikini, richting het zwembad middenin het complex.

‘Kijk je wel uit?’, riep Erna haar nog na. Maar Nina was al het bad in gesprongen, gevolgd door een ijzige gil.

Erna rende naar beneden. Maar er was niets aan de hand. Behalve dat het water ijskoud was. Waar bleef die Griekse zon toch? Erna droogde Nina af met een handdoek uit de badkamer en zette de tv aan. Gelukkig, een of andere cartoon-zender. Weliswaar in het Grieks, maar dat maakte niet zoveel uit.

‘Jongens, ik ga even boodschappen doen, zodat we straks wat te eten hebben. Schat, blijf jij zolang bij de kids?’

Maar waren die klotewinkels toch, die volgens de website zich in de nabijheid van het appartement bevonden? Erna’s haren dropen van het water, haar jurk plakte tegen haar lijf. Eerst maar eens een paraplu kopen. De souvenirwinkels langs de boulevard verkochten geen paraplu’s.

‘Nee. Mevrouw, bij ons op Kreta regent het nooit.’

Erna slikte even en vroeg naar de dichtstbijzijnde supermarkt.

Een uur later arriveerde zij, met rode striemen op haar arm waar de witte plastic zakken met etenswaar een spoor hadden achtergelaten, bij het complex.

Lucas reageerde geïrriteerd: ‘Jezus, waar bleef je nou. De kinderen hebben hoger en zijn niet te houden.’

Erna slikte even maar ze niets. Stilzwijgend begin ze de aardappels en de groente schoon te maken.

De volgende dag regende het nog steeds keihard. De spelletjes die de kinderen hadden meegenomen begonnen snel te vervelen. Ook zaten ze elkaar voortdurend in de haren. Lucas stond, na een opgelopen ruzie tussen de kinderen, op van de bank waar hij zijn voetbaltijdschrift, dat hij op Schiphol had gekocht, zat te lezen.

‘Verdomme, kan ik nou nergens even een rustig moment voor mezelf hebben?’

En hij smeet de deur achter zich dicht en ging met zijn krantje op Nathans bed in de slaapkamer liggen.

Twee dagen later was de spanning in het appartement te snijden. Gelukkig brak echter die ochtend eindelijk de zon door.

‘OK, jongens, zwemspullen aan, zand en snorkelspullen mee, we gaan naar het strand!’, riep Erna, en begon alvast broodjes te smeren voor de lunch.

Lucas reageerde niet en bleef zitten, verscholen achter zijn krantje. Zou hij die nog niet uit hebben dacht Erna.

‘Zeg, ga jij nog mee?’

Lucas keek op, maar ontweek haar blik.

‘Nou, ik dacht eigenlijk vandaag maar eens een motor te huren en over het eiland te rijden. Even een moment voor mezelf.’

Dat was waar ook. Het laatste jaar had Lucas zijn motorrijbewijs gehaald, een jongensdroom die nu eindelijk in vervulling was gegaan. Leuk vond ze het niet. En nu, de eerste dag dat ze eindelijk van de vakantie zouden kunnen genieten, liet hij verstek gaan. Nou ja, dan ging zij met de kinderen wel alleen. ZE was het wel gewend alleen met de kinderen op stap te zijn, Ja, eigenlijk was zij steeds degene die voor de kinderen zorgde, ook als zij moe van haar werk thuiskwam. Lucas was toch meer het type mooi-weer vader. Maar mooi weer of niet, nu liet hij niet alleen haar, maar ook zijn kinderen in de steek.

‘Ok, jongens, we gaan. Papa heeft even wat tijd voor zichzelf nodig.’

Even later gooide zij de deur achter zich dicht, met een iets hardere knal dan ze van zichzelf gewend was.

Het strand bleek, in tegenstelling tot de supermarkt, inderdaad op loopafstand. De zon, die de afgelopen dagen nergens te bekennen was geweest, scheen uitbundig en warmde hun lichamen op. Nina sprong uitgelaten in de zee en schaterde het uit toen ze met haar opblaas-surfplankje door de golven werd meegevoerd. Nathan was, zoals verwacht, met zijn snorkelsetje in de weer en kwam om de paar minuten een gevonden schat op haar handdoek leggen.

‘Mooi he, mam’?, riep hij en snel rende weer de zee in, bang om iets van de pret te missen.

Met de zon op haar gezicht, luisterend naar het geluid van de zee en kijkend naar haar spelende kinderen voelde Erna zich gelukkig. Dit was de vakantie die zij in gedachten had gehad. Zon, zee en zand. Zij en de kinderen.

Toen ze ’s avonds na etenstijd terug bij het appartement kwam – ze had met de kinderen onderweg naar huis spontaan een broodje souvlaki gehaald, wat ze lekker op een bankje met uitzicht over de zee hadden opgegeten – was Lucas er nog niet.

Twee uur later lagen de kinderen schoongewassen in bed, toen Lucas thuiskwam. Hij zag er vermoeid uit en rook naar alcohol.

‘Erna’, zei hij. ‘Ik moet je iets vertellen.’

Zij keek hem vragend aan.

‘Het afgelopen jaar heb ik een relatie gehad. Met iemand van het werk, je kent haar niet. Maar het is nu voorbij. Erna, alsjeblieft, geloof me, het wordt allemaal anders.’

Geloof me. Anders.

Erna haalde diep adem en zei vervolgens gedecideerd:

‘Lucas, het is voorbij tussen ons. Zodra wij thuis zijn wil ik dat je ergens anders gaat wonen. Ik en de kinderen, wij redden ons wel.’

Erzsó Alföldy