‘Adri, Franka is dood.’

Ik laat het glas wijn uit mijn hand vallen. Ik zie hoe de rode vloeistof in het vloerkleed trekt. Maar ik kan me niet beroeren, laat staan een woord uitbrengen.

‘Zij was al een hele poos ziek. Borstkanker, veel te laat ontdekt. De operatie, chemo en het hele rattenplan heeft weinig uitgehaald, behalve het ziekteproces vertragen, om haar de gelegenheid te geven afscheid te nemen van de mensen om haar heen, die haar dierbaar waren.’
Waarom? Waarom zij? En waarom hoor ik het nu pas?

‘Franka wilde niet dat jij het wist. Zij wilde dat jij haar herinnerde zoals zij was. Op het laatst was zij vel over been, en had zij alleen nog wat plukjes haar die zij onder een gebreid mutsje verborg. Haar kinderen wilden op het laatst niet meer buitenshuis met haar gezien worden. En op de foto wilde zij al lang niet meer.’

***

‘Hee, Adri!”

Franka zat met opgetrokken blote benen in de vensterbank. Ze had een zomerjurk aan met spaghettibandjes, haar blonde lokken hingen los over haar schouders. In de ene hand hield zij een wijnglas, in de andere een sigaret.

‘Hee schoonheid. Mag ik er ook eentje.’

Ze lachte.

‘Ik doe wel even open.’

Franka had een etage in een herenhuis in een lommerrijke straat bij het Wilheminapark. Ik rende met twee passen tegelijk de trap op. Franka stond in de deuropening. In de kamer hing een zweem van zwoele zomeravondlucht, er stond een onbekend Latin popbandje op. We nestelden ons naast elkaar op de verschoten bank en kletsten een eind weg, over de studie, over gezamenlijke vrienden.

Een paar uur en vier glazen goedkope rode wijn verder raapte ik al mijn moed bij elkaar en trok haar naar me toe. Zij opende haar lippen en beantwoordde mijn kus. Maanden had ik op dit moment gewacht.

De volgende ochtend werd ik wakker in een leeg bed, met een bonkend hoofd en een vieze smaak in mijn mond. Franka stond naast het bed, met een oversized shirt en boxershort aan. In haar hand hield zij een dampende mok.

‘Hier. Zwarte koffie. Drink op. En daarna moet je gaan. Wat er vannacht is gebeurd: it never happened. Ik heb al een paar maanden een relatie met Tom. Hij hoeft dit niet te weten. Beloof me dat je het niemand vertelt.’

***

Twintig jaar later sta ik vroeg in de ochtend te wachten op de brug over de Kromme Rijn bij Nieuw Amelisweerd. Het bos ontwaakt, ik hoor de merels fluiten. De lucht is nog fris, de zon is net op, er hangt een witte nevel boven het wateroppervlak. Langzaam komen er allerlei mensen aanlopen, die zich zwijgend bij het groepje op de brug voegen. Als je niet beter wist zou je ons voor natuurliefhebbers aan kunnen zien, die zich verzameld hebben voor een boswandeling bij zonsopgang, als de kansen om een verdwaalde ree, opvliegende fazant of blauwe reiger te zien, het grootst is. Ik zie Henk, Samuel, Dirk en Agatha. Wij begroeten elkaar met een knikje.

***

Ik had, nadat ik me wekenlang in drank en liefdesverdriet had ondergedompeld, mijn studie en kamer opgezegd. Maandenlang zwierf ik door de wereld, van baantje naar baantje en van avontuur naar avontuur. Onderweg maakte ik foto’s van mensen die ik tegenkwam. Thuis werkte ik die uit tot een serie grote tekeningen. Tot mijn eigen verbazing werd ik ermee op de Gerrit Rietveld Academie toegelaten. Ik had, of mijn ouders het leuk vonden of niet, mijn bestemming gevonden.

Ik ben inmiddels een redelijk succesvol kunstenaar. Ik kan prima leven van de verkoop van mijn schilderijen, aangevuld met de inkomsten uit de gastlessen die ik geef. Ik woon alleen in Amsterdam. Af en toe heb ik een vriendin, maar meestal niet voor lang. Misschien ben ik wel een doorgewinterde Einzelgänger. Of misschien ben ik wel nooit over mijn liefde voor Franka heen gekomen.

***

Na het telefoontje van Henk kan ik de slaap niet vatten. Ik haal de doos met spullen uit mijn Utrechtse studententijd uit de kast en staar naar de foto’s van toen, van de feestjes, van die ene picknick op het grasveld aan de Kromme Rijn bij Rhijnauwen. Wij hadden een bootje gehuurd en waren er tegen de stroom in heen geroeid. Franka ligt in het gras, met een grasspriet in haar mond, haar goudblonde haar omringt haar gezicht. Verblind door tranen pak ik een vel papier en schrijf het allemaal achter elkaar op. Mijn herinneringen aan Franka en aan die ene nacht, hoe ellendig ik me daarna heb gevoeld. Het geheim dat ik met haar deel en dat ik nu aan het papier toevertrouw.

***

Twee weken later ligt de rouwkaart op mijn deurmat. Franka blijkt inmiddels te zijn gecremeerd. In intieme kring, met alleen de directe familie erbij. Maar haar as zal worden verstrooid in de omgeving waar zij één van de gelukkigste periodes uit haar leven heeft gehad, zo staat het op de kaart.

En zodoende staan wij op deze vroege ochtend met zijn allen op de brug bij Klein Amelisweerd. Tom, nog steeds dezelfde als vroeger maar met grijs haar en diepe groeven in het gelaat, staat in het midden, met zijn armen om zijn dochters en omringd door mensen die ik herken als familie.

Na een korte toespraak over hoe belangrijk Utrecht en de vrienden uit hun studententijd voor Franka geweest zijn, haalt Tom het deksel van de zilverkleurige urn en draait hem met een plechtig gebaar om. Wij kijken toe hoe de as langzaam omlaag dwarrelt en nog even op het wateroppervlak blijft liggen, tot de stofdeeltjes zich geleidelijk met het water vermengen.

Na afloop gaat iedereen, na Tom en de meisjes te hebben gecondoleerd, er vandoor. Ik blijf als laatste achter. Als iedereen weg is haal ik de fles met daarin het verhaal van Franka tevoorschijn en gooi hem met een wijde boog over de brug. De fles belandt met een plons in het water, dobbert voort en laat zich door de stroom meevoeren.

Erzsó Alföldy